Hoewel Het Concertgebouw altijd veel aandacht had en heeft voor de ontwikkelingen op het gebied van de hedendaagse muziek, is het ook een plek waar de traditie en schoonheid van het verleden hoogtij viert. En die schoonheid werd in de jaren zeventig meer en meer uitgedragen door een nieuwe generatie wereldsterren van formaat. Vooral een aantal vocalisten wist een enorme status te verwerven. Luciano Pavarotti, Plácido Domingo, Elisabeth Schwarzkopf, Maria Callas, Janet Baker, Ernst Haefliger en Dietrich Fischer-Dieskau vormden de vocale voorhoede en waren uiteraard met recitals en concertante opera’s te bewonderen in Het Concertgebouw. Niet zo vreemd: ‘In de Grote Zaal krijgt de stem vleugels’, zei Cecilia Bartoli, een wereldster van deze tijd. De grote aandacht voor sterren en de schijnbare nadruk op de muziek uit de achttiende en negentiende eeuw die dit meebracht, zette kwaad bloed bij de jongste generatie Nederlandse musici en componisten. Onder anderen Louis Andriessen, Jan van Vlijmen, Reinbert de Leeuw en Peter Schat verstoorden op 17 november 1969 een concert van het Concertgebouworkest. Het werd mede de springplank voor een levendige hedendaagse-muziekpraktijk, waar onder andere het huidige Asko|Schönberg uit is voortgekomen. Hoewel de relatie van deze ‘actievoerders’ met Het Concertgebouw in de jaren zeventig zeer moeizaam was, zijn alle plooien inmiddels gladgestreken.
De Roemeense sopraan Angela Gheorghiu vertegenwoordigt in de Grote Zaal de band van Het Concertgebouw met de wereldsterren. In dit geval een nieuwe band, want Gheorghiu komt voor het eerst naar Het Concertgebouw. Sinds ze in 1994 wereldfaam verwierf met haar vertolking van La Traviata staat ze onafgebroken aan de internationale top en heeft ze een overvolle agenda. In de Kleine Zaal staan de rebellen van destijds broederlijk naast de huidige jonge garde en spelen zij zowel typische ‘protestcomposities’ als werken waarin de esthetiek van vandaag tot uiting komt.