De jaren tachtig waren in alle opzichten roerige tijden. Terwijl Het Concertgebouw zich in 1988 opmaakte voor het eeuwfeest, zag het zich gesteld voor een grote uitdaging. De tweeduizend houten palen waarop het gebouw ooit in het weiland aan de rand van de stad was neergezet, hadden hun beste tijd gehad en de concertzaal dreigde zo te verzakken dat hij onbruikbaar zou worden. Deze toestand was aanleiding voor een ingenieuze reddingsoperatie en het begin van Het Concertgebouw als ondernemer. Vooral de eigen programmering maakte in die tijd een grote sprong voorwaarts. Zo stond in het seizoen 1984-1985 de eerste serie Wereldberoemde symfonieorkesten op het programma. Wat ook steeds meer tot Het Concertgebouw doordrong was de ‘renovatie’ van de oude muziek. Musici als Ton Koopman, Gustav Leonhardt, Frans Brüggen en Nikolaus Harnoncourt pleitten voor een op historische leest geschoeide uitvoeringspraktijk en veranderden voor altijd de klank van het werk van Bach en de symfonieën van Mozart en Beethoven. Deze historische uitvoeringspraktijk kreeg uiteraard al snel een plek in de eigen programmering van Het Concertgebouw.
Tot op de dag van vandaag staan zowel de pioniers van de historische uitvoeringspraktijk als de jongste generatie regelmatig in de Grote en Kleine Zaal. Vandaar dat de jubileumconcerten van deze maand geheel in het teken staan van deze stroming. In de Kleine Zaal treedt het Combattimento Consort aan, de ‘luis in de pels’ van destijds, samen met een aantal jonge helden. In de Grote Zaal brengt het Orkest van de Achttiende Eeuw, al dertig jaar een vaste gast, speciaal voor Het Concertgebouw Mozarts opera Così fan tutte in een semiscenische uitvoering.