Fragment uit de biografie van Willem Mengelberg

Willem Mengelberg en Arturo Toscanini, Bellagio 1925. © Nederlands Muziek Instituut

Op dinsdag 13 september vond in Het Concertgebouw de presentatie plaats van het tweede deel van de biografie van Willem Mengelberg (1871 - 1951), een van de grootste dirigent die Nederland tot nu toe heeft gekend, en tegelijkertijd een van de meest omstreden. Hieronder kunt u een fragment uit de biografie, die de loopbaan en leven van Mengelberg vanaf 1920 beschrijft, lezen. Meer informatie over het boek, en de bestelmogelijkheden, vindt u hier.

---
LUZERNER FESTWOCHEN, AUGUSTUS 1938

De plannen die eind jaren dertig werden ontwikkeld om in Luzern Festspiele te organiseren, konden onmiddellijk op Mengelbergs steun rekenen. In eerste instantie waren deze bedoeld om Luzern toeristisch op de kaart te zetten. Voor velen, zowel bezoekers als musici, was het onmogelijk geworden om naar de Festspiele in Salzburg en Bayreuth te gaan. Heel wat musici, zoals Toscanini, wilden er niet meer optreden. Al langer koesterden Jacob Zimmerli, de burgemeester van Luzern, en de dirigent Ernest Ansermet plannen voor een festival in Luzern. Een politiek doel was er niet.

Aan Mengelberg was gevraagd of hij zich in de plannen kon vinden, en of hij bereid zou zijn in 1939 een of twee orkestconcerten te leiden (421). M.E. Liehburg had namens de organisatie met Mengelberg op zijn terugreis uit Italië over de plannen willen spreken, maar dat lukte niet. Daarom schreef Mengelberg twee enthousiaste en uitvoerige brieven aan Liehburg, allebei daterend van 31 maart.

Daarin omarmde hij de plannen, maar hij gaf direct ook een waarschuwing. Hij vond dat de plannen toekomst hadden, maar ze moesten van grootse opzet getuigen. ‘U moet onverbiddelijk alle tendenzen bestrijden die uit gebrek aan zakelijk inzicht, kunstzinnig inzicht, bekrompenheid en angst alles kleiner willen opzetten. Want: alleen het allerbeste, het allermooiste en allergrootste heeft vandaag de dag zekerheid van slagen, om daarmee de gemaakte onkosten te dekken.’ Hij gaf te kennen dat hij bereid was om de organisatie met raad en daad bij te staan en toonde zich bereid om met zijn koor en orkest uit Amsterdam te komen. Verder kwam hij met een inhoudelijk advies: in Salzburg vormde opera de hoofdattractie en daarom was het raadzaam om bij een festival in Luzern de symfonische kunst centraal te stellen.

Voor het ‘eerste muziekfeest’ suggereerde hij een geheel aan Beethoven gewijd programma, en met beroemde solisten. Dat zou dan alle symfonieën moeten omvatten, de ouvertures, de soloconcerten. In een nevenprogramma kon de kamermuziek aan bod komen, alsook de liederen. Hij stelde zich voor dat zijn Amsterdamse koor naar Luzern zou komen voor de Negende Symfonie en dat dit dan, misschien aangevuld met leden van Luzernse koren, in een grote kerk ook nog de Missa Solemnis zou kunnen uitvoeren. Ook suggereerde hij de Egmont-muziek met Ludwig Wüllner als declamator. Kortom, Mengelberg stroomde over van enthousiasme. Maar, schreef hij, het moest allemaal ‘erstklassig’ zijn. Op die manier zouden de Festspiele spoedig ‘Weltruf’ verwerven, waar Luzern alleen maar van kon profiteren. Als het eenmaal was gerealiseerd, zouden ze terugblikkend moeten kunnen concluderen dat ‘wir unseren herrlichen Kunst einen wirklich grossen Dienst geleistet haben.’

In zijn vervolgbrief kwam Mengelberg met allerlei ideeën en suggesties, omdat het van belang was om het allemaal als één geheel te zien. Hij suggereerde dat het plan voor het tweede jaar nu eigenlijk ook al moest worden gepubliceerd en dat het gewijd moest zijn aan ‘Moderne Musik’, en wel aan de muziek van Gustav Mahler. Eigenlijk bedoelde hij een Mahlerfeest, zoals destijds in Amsterdam was gegeven. Hij wees erop dat er nadien niet meer zo’n feest was geweest, omdat eigenlijk alleen de Amsterdammers, zijn eigen orkest dus, in staat waren zoiets ‘Künstlerisch’ te realiseren. In de jaren daarna zouden dan thematische muziekfeesten kunnen plaatsvinden. Een Bachfeest – misschien ook met muziek van de zonen Bach – was nog nooit gedaan. Dan een Richard Straussfeest (de enige echt grote componist die nog leefde, vond Mengelberg), een Händelfeest, een Mozartfeest, een Zwitsers Muziekfeest in combinatie met een Nederlands Muziekfeest. En verder Italiaanse, Franse, Duitse, Engelse, Amerikaanse, Spaanse, Scandinavische en Russische muziekfeesten, wat er maar te bedenken viel. In zo’n opzet geloofde Mengelberg en hij nodigde Liehburg hartelijk uit naar Nederland te komen, want in april zou zijn Amsterdamse Beethovenfeest van start gaan.

Het ging de goede kant op, want naast de overheid en het leger had ook de zware industrie in Zwitserland zich achter de plannen geschaard. Liehburg hoopte naar Amsterdam te komen. ‘Ihre Wärme und Sympathie, die Sie der Luzernersache entgegenbringen, freut uns tief, so wie Ihr Rat uns besonders wertvoll ist.’ Mengelberg bleef enthousiast. Hij had dr. Hans Brun gesproken en geschreven, en die steunde het plan ook. Mengelberg hoopte dat ze er in Luzern alle noodzakelijke energie in zouden steken.

Walter Ducloux (1913-1997), in die jaren dirigent van het Kursaalorchester van Luzern, vertelde dat velen via de Festwochen in Luzern een protest wilden laten horen tegen het opkomend fascisme. Daar wilde burgemeester Zimmerli echter niet van weten. Hij was tegen een politieke demonstratie, en zette ook door dat ‘de door de Nazi’s in de watten gelegde’ Mengelberg, die immers in zijn jonge jaren in Luzern als ‘Generalmusikdirektor’ had gewerkt, in het eerste jaar van het festival werd uitgenodigd. Men wilde hem graag ‘als der Freund und Wahrer der symphonischen Kunst von Gustav Mahler Gelegenheit gäben [...] ein Mahler-Festkonzert zu dirigieren’ (422).

Na Mengelbergs enthousiasme was dit een nogal povere bijdrage die hij aan het festival mocht leveren. Maar een concert met muziek van Mahler was natuurlijk zijn fort. Men wilde hem graag voor een programma met de Vierde Symfonie, sopraanliederen en Das Lied von der Erde. Zimmerli deed ook een voorstel voor de solisten: Jo Vincent in de Vierde Symfonie en de liederen, en Ernest Bauer en Maria von Basilides als solisten in Das Lied von der Erde. Als ‘Meister der jahrenlang der musikalischen Kultur der Stadt Luzern eine Stempel aufgedruckt hat, und dessen viele meiner Mitbürger in Verehrung gedenken’, zou Mengelberg vijf repetities toegewezen krijgen. Voor dit veel te lange programma zou dat nooit voldoende zijn.

Het beoogde programma kreeg het festival dan ook niet. Het werd een programma met Mendelssohn, Schubert en Brahms, en ten slotte verdween ook de muziek van Mendelssohn en kwam Liszt op het programma. Zimmerli hield zich aan ‘den Vorschlag des Meisters’, opperde nog de Eerste Symfonie van Brahms met diens Vierde om te wisselen, maar ook dat lukte niet (423). Zou Mengelberg nog overwogen hebben één werk van Mahler te dirigeren, en waarom verwisselde hij de muziek van Mendelssohn voor die van Liszt? Had hij geen vertrouwen in het orkest? Het blijft onopgehelderd.

Mengelberg dirigeerde op 1 september, het slotconcert van het Lucerne International Music Festival 1938. Het ensemble bestond uit een combinatie van het orkest van het Orchestre de la Suisse Romande en het Kursaalorchester van Luzern en was samengesteld door Ernest Ansermet. Mengelbergs concert moet met groot enthousiasme zijn ontvangen (424). Behalve Mengelberg traden ook Wilhelm Furtwängler, Bruno Walter en Thomas Beecham in het festival op.

Toscanini leidde op 25 augustus een speciaal concert in Villa Tribschen, even buiten Luzern gelegen, het huis waar Wagner enige tijd woonde en waar zijn zoon Siegfried werd geboren. De bekende Amerikaanse muziekcriticus en schrijver over muziek, Harold C. Schonberg, meende dat dit concert bedoeld was om te laten zien ‘where he stood’ en dat Toscanini een orkest dirigeerde ‘entirely of refugees from Nazi Germany’ (425). Waar mythevorming al niet toe leidt. Het ensemble was wel een ‘Eliteorchester’, samengesteld door Ansermet. Naast het Busch-Quartett maakten ook de violisten Steffi Geyer en Joachim Röntgen er deel van uit, alsook een neef van Toscanini, de cellist Enrico Polo.

Men had de Italiaanse maestro intussen ook bereid gevonden de leiding van het gehele festival op zich te nemen. In de herfst van 1938 moet een overeenkomst met hem zijn getekend, waarin stond dat Toscanini de totale controle zou hebben over de te engageren dirigenten. ‘Es wurde mit keinem anderen Dirigenten ver- handelt, ohne vorher das Urteil von Toscanini zu horen.’ (426)

Wat betekende dat voor Mengelberg? Zimmerli had daarover ook overlegd met Toscanini, die tegen Mengelbergs medewerking geen bezwaar had. ‘Hij had alleen maar muzikale bezwaren tegen Mengelberg, hij vond bijvoorbeeld: “Dat hij geen idee van Beethoven had”,’ aldus Ducloux (427). Naar verluidt was Mengelberg in 1939 niet beschikbaar (428). In 1940 kwamen door de oorlog de concerten in het gedrang. De twee daaropvolgende jaren werd noodgedwongen het orkest van de Scala in Milaan ingehuurd. In 1943 werd dit het Schweizerische Festspielorchester. Het was een wonderlijke speling van het lot: Toscanini en Mengelberg in New York, Toscanini en Mengelberg in Luzern.

Noten:

421    Brieven van M.E. Liehburg, 18 februari en 14 april 1937.
422    Brief van Stadtpräsident von Luzern J. Zimmerli, 27 april 1938.
423    Brief van J. Zimmerli aan J. Koning, 8 mei 1938.
424    Luzerner Tagblatt, 29 maart 1951.
425    Schonberg 1958, p. 362.
426    V. Naegele, ‘Bayreuth, Salzburg und die Anfänge der imF Luzern’, in: Lucerne Festival im Sommer würdigt Arturo Toscanini’, pp. 14-15.
427    W. Ducloux, ‘Jakob Zimmerli war der grosse Held’, in: Tagblatt IMF, 13 augustus 1988.
428    Singer, p. 86.

Wij raden u aan om uw concertkaarten te bestellen via een andere browser. Gebruik hiervoor Chrome, Firefox, Safari, Edge of Internet Explorer versie 10 of hoger.