Ontdek
  1. Zoeken
  2. Concerten
  3. Menu
  4. 0
    Mandje
  5. Account
  6. Inloggen
1888 4

Geert Mak: Rock Show At The Concertgebouw (1960-1969)

di 21 mrt. 2017

In 12 afleveringen reist Geert Mak door de geschiedenis van Het Concertgebouw. Met in aflevering 8: de provojaren zestig.

Onderdeel van

Jubilea werden – en worden – in Het Concertgebouw uitbundig gevierd, en dat gold ook voor het 75-jarig bestaan van gebouw en orkest. Op 1 oktober 1962 werd het feestseizoen geopend met een galaconcert onder leiding van de nieuwe dirigent Bernard Haitink. Uitgevoerd werd, onder andere, Mahlers Eerste symfonie, gecomponeerd in hetzelfde jaar waarin gebouw en orkest werden geboren.
Het was een glorieuze bijeenkomst, opgeluisterd door koningin Juliana en talloze hoogwaardigheidsbekleders. Een topavond, zo ging die eerste oktober de officiële geschiedenis in.
In het orkest speelde diezelfde avond een jeugdige hoornist. Hij beleefde dit grootse galaconcert heel anders, zo zou hij me, veel later, vertellen. ‘Ik zag een jonge, zenuwachtige Haitink zwetend zijn tanden
stukbijten op Mahler. Ik zag de koningin langzaam indommelen. Ik zag de hoogwaardigheidsbekleders naar het plafond kijken, en daartussendoor blies ik mijn noten. Toet. Toet-toet. Toet. Toet. En ik dacht: moet ik dit nu mijn hele leven blijven doen?’
Hij was niet de enige.

Uitgestelde revolutie
De jaren zestig waren voor Amsterdam, ogenschijnlijk, de jaren van provo, de happenings rond het Lieverdje, de rellen rond Het Huwelijk en het Bouwvakkersoproer in 1966, de demonstraties tegen de Vietnamese oorlog, de studentenbezetting van het Maagdenhuis en nog een reeks andere manifestaties van onvrede, met name onder jongeren. Maar eigenlijk waren de jaren zestig vooral een uitgestelde revolutie: het conservatieve Nederland schudde eindelijk de vooroorlogse denkwereld van zich af en stelde zich open voor nieuwe perspectieven. En Amsterdam, waarvan de bevolking jonger was dan ooit, ging daarin voorop.
Aan Het Concertgebouw gingen die ontwikkelingen bepaald niet voorbij. In het begin van de jaren zestig trokken ‘brave’ zangers en musici als Jacques Brel, Charles Aznavour, Edith Piaf en Cliff Richard nog stampvolle zalen, in de tweede helft van het decennium ontwikkelde het gebouw zich tot een heuse poptempel. Frank Zappa, The Doors, Jefferson Airplane, Pink Floyd, Led Zeppelin, The Who, Janis Joplin en een volkomen gedrogeerde Jim Morrison, iedereen zette de Grote Zaal op stelten. Paul McCartney zong er zelfs over: ‘If There’s Rock Show At The Concertgebow [sic]’…
Tekenend voor de tijdgeest was het initiatief, samen met de VARA, dat op 23 september 1961 van start ging: de Matinee op de Vrije Zaterdag. In 1960 was, als nieuw symbool van welvaart, de vrije zaterdag
ingevoerd. Om te voorkomen dat de arbeiders zich zouden gaan overgeven aan ‘nutteloze hobby’s’ ontstond bij de VARA het plan om de omroeporkesten op de zaterdagmiddag in Het Concertgebouw voor het ‘gewone’ publiek te laten spelen. De toegangsprijs was laag – 7,5 gulden, ruim drie euro, voor een abonnement van vier concerten. De toeloop van bezoekers viel aanvankelijk tegen, maar de programmering was heel interessant. De VARA wilde het publiek ook verleiden om eens naar iets heel anders te luisteren dan het bekende werk. In de eerste Matinee stond bijvoorbeeld direct al muziek van Johan Wagenaar en Manuel de Falla op het programma.

Nieuwe muziek
De vernieuwing, die in die jaren overal in de lucht hing, raakte ook het Concertgebouworkest. Vanaf 1 september 1961 waren Bernard Haitink en Eugen Jochum aangesteld als vaste dirigenten. Alle programma’s bevatten regelmatig twintigste-eeuwse composities, maar er bestond nog geen aparte serie voor moderne muziek. In 1966 werd daartoe een eerste aanzet gedaan: na een ‘experimenteel concert’ werden drie concerten met ‘actuele muziek’ geprogrammeerd, onder leiding van, onder anderen, de Italiaanse componist en dirigent Bruno Maderna.
Maderna was daar helemaal niet zo blij mee. Hij zei tegen journalisten dat dit soort ‘experimentele’ concerten slechts een overgangsfase vormden, die niet te lang moest duren: nieuwe muziek, ook in zijn meest extreme uitingen, hoorde thuis in de gewone concertprogramma’s. Onmiddellijk kreeg hij bijval van vijf jonge componisten: Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg, Peter Schat en Jan van Vlijmen. In een open brief aan het bestuur van het Concertgebouworkest eisten ze een volledige integratie van de nieuwe, geavanceerde muziek. En waarom liet men de kans lopen om Maderna, naast Haitink, als vaste dirigent aan te stellen? Amsterdam zou zo immers, ‘zoals ten tijde van Mengelbergs Mahler-en Strausspremières’, internationaal weer een leidende rol kunnen gaan vervullen, en de creatieve wereld zou een enorme stimulans krijgen.
Er ontstond een levendige discussie waarbinnen half artistiek Amsterdam zich roerde. Daarbij ging het niet in de laatste plaats over de vraag wat ‘nieuwe muziek’ nu eigenlijk was: het ‘afwijzen van sjablonen, het afwijzen van tot traditie overgenomen vanzelfsprekendheden’ of simpelweg ‘alle composities sinds 1910’ – het meer formele standpunt van het bestuur. Dat kreeg, totaal onverwacht, opeens steun van de progressieve muziekpaus Matthijs Vermeulen. Deze eeuwige rebel hield in de Groene een vurig pleidooi voor het Concertgebouworkest en voor ‘een van de prachtigste uitvindingen van de mens: het symfonieorkest’.
Een aantal kleinere ensembles, die nu alweer jaren een wezenlijk onderdeel vormen van de Nederlandse muziekwereld, zou ten slotte uit deze klankrevolutie voortkomen: het Schönberg Ensemble, het Nederlandse Blazers Ensemble, De Volharding, het Xenakis Ensemble, het Nieuw Ensemble, het Ives Ensemble en andere. De jonge hoornist uit 1962, Jan Wolff, zou zich ook volop in die beweging storten – hij werd uiteindelijk de motor achter De IJsbreker en Muziekgebouw aan ‘t IJ. Maar zover was het nog lang niet, eind jaren zestig.

Bekijk ook eens