1. Zoeken
  2. Concerten
  3. Menu
  4. Mandje
  5. Account
  6. Inloggen

Interview: Kristian Bezuidenhout

zo 3 dec. 2017 - 5 minuten leestijd - Door Thiemo Wind

Klavecimbel, de moderne Steinway en een historische fortepiano, maar ook begeleiden, dirigeren en soleren: een interview met de veelzijdige Kristian Bezuidenhout.

Onderdeel van

Plaats van ontmoeting is het idyllische Rosendal, een dorpje aan het Hardangerfjord. Kristian Bezuidenhout treedt er op in het kamermuziekfestival van de pianist Leif Ove Andsnes, dat deze keer aan Mozart is gewijd. Bezuidenhout neemt er als enige het spel op een historische fortepiano voor zijn rekening. ‘Nu begrijp ik waar iedereen het altijd over heeft’, zegt hij terwijl zijn ogen langs het overweldigende berglandschap glijden. Dit is zijn allereerste bezoek aan Noorwegen. Het is opmerkelijk voor een musicus die over de hele aardbol reist en zich als geen ander een wereldburger mag noemen.

Telkens als hij op Schiphol arriveert, beginnen douanebeambten Nederlands tegen hem te praten. Hij verstaat er geen woord van. Bezuidenhout kwam ter wereld in Zuid-Afrika, verhuisde als kind naar Australië en vertrok op zijn zeventiende naar de Verenigde Staten, waar hij piano studeerde aan het conservatorium van Rochester. Tegenwoordig woont hij in Londen. De historische fortepiano kwam in zijn leven toen Malcolm Bilson in Rochester een masterclass kwam geven. ‘Probeer maar, spoorde hij me aan. Het voelde wel vreemd, zo’n speelgoedpianootje. Geleidelijk ben ik een Mozart gaan ontdekken die ik nog niet kende.’

De Steinway heeft hij desondanks nooit volledig vaarwel gezegd. Als Bezuidenhout eind januari 2018 solist is bij het Koninklijk Concertgebouworkest, kiest hij voor dit instrument. ‘Vergeet niet dat het orkest zelf ook op moderne instrumenten speelt’, verklaart hij zijn keuze. Balansproblemen heb je maar zo. ‘En de Grote Zaal is voor een fortepiano een moeilijke ruimte. De akoestiek is te diffuus om die werkelijk te kunnen vullen.’

‘De ervaringen met een fortepiano zijn bijzonder waardevol bij het bespelen van een modern instrument. Pianisten zijn altijd zo bezig met legato en een mooie klank. Op fortepiano leer je articuleren, de lengte van noten en de ruimte ertussen. Dat is bij Mozart erg belangrijk. Maar omgekeerd leer je ook. Op een fortepiano bestaat het gevaar dat je de schoonheid van de klank vergeet. Dat aspect neem je mee van een moderne piano. De invloed is er dus in twee richtingen. Voordat ik fortepiano ging spelen, studeerde ik eerst nog klavecimbel. Dat was ook fascinerend, want dat ging allemaal over timing. Als je die drie elementen mixt, heb je een geweldige bagage. Ik beschouw de fortepiano echt als een historische stap tussen het klavecimbel en de moderne vleugel.’

Alsof dit allemaal niet genoeg was, studeerde Bezuidenhout in zijn eerste conservatoriumjaar ook nog dwarsfluit. ‘Later heb ik mezelf traverso leren spelen. Het beheersen van een blaasinstrument is extreem behulpzaam voor klavierspelers. Je leert hoe het lichaam de sonoriteit en klankkleuren kan sturen. Je merkte dat ook bij Frans Brüggen, die van huis uit blokfluitist was. Als hij dirigeerde, hoorde je hem letterlijk ademen, en daarmee opende hij de klank. We zijn tegenwoordig geneigd veel te dicht bij ons eigen instrument te blijven. Het belangrijkste dat ik van oude instrumenten leer, is dat ze een rol spelen, zoals in het theater. Het zijn karakters. Op die manier krijg je vanzelf contrasten.’

Ook van vocalisten leert Bezuidenhout veel. ‘Bij zangers heb ik het gevoel dat de productie van het geluid en de tekst deel is van het lichaam. De tijd die het kost om een woord te zingen en een toon te maken, is niet zomaar een kwestie van interpretatie. Dat zit in het DNA van het materiaal. Zangers moeten hun koers technisch zorgvuldig uitstippelen om op tijd te kunnen arriveren. Wil je liedkunst organisch en natuurlijk laten klinken, dan moet je als klavierspeler de timing voortdurend aanpassen. Dat is deel van de expressie. Als instrumentalisten zijn we zo gewend altijd spatgelijk op de tel te spelen. Ja, mijn bewondering voor zangers is enorm toegenomen. Wij kunnen zoveel van ze leren. Deze ervaringen helpen me ook bij het uitvoeren van instrumentale muziek.’

In april 2018 speelt Bezuidenhout opnieuw in de Kleine Zaal. Dan wijdt hij zich met Isabelle Faust aan vioolsonates van Bach, waarbij hij vanzelfsprekend voor het klavecimbel kiest. ‘Bij dat instrument is mijn belangstelling voor oude muziek begonnen. Het is een terugkeer naar mijn roots. Het klavecimbel brengt me in contact met Bach. Vorig jaar heb ik voor het eerst de Matthäus-Passion gedirigeerd. Met die partituur had ik een enorme puzzel voor mijn neus, een intellectuele uitdaging.’

‘Ik kan niet zeggen dat Mozart geen uitdaging meer is, alle kansen om zijn muziek te kunnen spelen grijp ik aan. Maar tegelijk kennen zijn sonates, fantasieën en variatiewerken weinig geheimen meer voor me. Op een bepaalde manier voelt dat toch als dagelijks werk. De pianoconcerten, dat is iets anders. Dat is een reis die nooit ophoudt.’ In de afgelopen jaren heeft Bezuidenhout er verschillende uitgevoerd bij het Concertgebouworkest, telkens met een dirigent op de bok. In 2018 neemt hij voor het eerst zelf de leiding, in het Pianoconcert nr. 24 in c, KV 491. ‘Ik ben er wel nerveus voor, maar op een gezonde manier. Mijn ervaringen met dit orkest zijn alleen maar positief.’

De solist als muzikaal leider, zo ging dat in Mozarts tijd ook. Het is ook de natuurlijkste situatie, vindt Bezuidenhout uit volle overtuiging. ‘In de pianoconcerten is het nooit alleen een kwestie van interpreteren en Mozart dienen, er is altijd meer betrokkenheid nodig. Het gaat over beslissingen en risico’s nemen, aan de basis. De noten spelen is niet genoeg, bij Mozart vormt de partituur een geraamte dat toestemming verleent iets te scheppen wat je als een theater van gebaren zou kunnen omschrijven. Je moet je persoonlijkheid op de muziek projecteren. Door de negentiende eeuw en op perfectie gerichte conservatoriumopleidingen zijn we zoveel kwijtgeraakt. Met die moderne esthetiek kom je bij Mozart niet ver. Ik wil de orkestmusici lekker laten spelen en er voor ze zijn als ze me nodig hebben.’

Dit interview verscheen eerder in het Concertgebouw Magazine, editie december 2017/januari/februari 2018

Bekijk ook eens