Ontdek
  1. Zoeken
  2. Concerten
  3. Menu
  4. 0
    Mandje
  5. Account
  6. Inloggen
MH22 Concertgebouw Jaapvan Zweden Closeup 002 B

Jaap van Zweden: ‘Amerika ligt straatlengtes voor op Nederland’

Aflevering 8. Van exclusief naar inclusief?

zo 28 aug. 2022 - 6 minuten leestijd - Door Stephan Sanders

Het Concertgebouw wil iedereen verwelkomen. Maar niet iedereen voelt zich welkom in Het Concertgebouw. Dat is een ongemakkelijke waarheid. Welke kansen zijn er om Het Concertgebouw en de wereld van de klassieke muziek meer inclusief te maken? Journalist en schrijver Stephan Sanders legt in deze maandelijkse interviewreeks de vraag voor aan uiteenlopende prominenten. Het levert waardevolle verhalen op. Soms ontroerend, soms pijnlijk, maar altijd verhelderend en recht uit het hart. In deze zevende aflevering dirigent en violist Jaap van Zweden. ‘Het allerbelangrijkste is dat jonge mensen van welke kleur dan ook zo vroeg mogelijk klassieke muziek tot zich kunnen nemen.’

Het moment van begeestering. Daar is het een en ander aan voorafgegaan. Jaap van Zweden is een wereldster, vroeger als violist, nu als dirigent, en zijn werkgebied is dan ook zo groot als de wereld. Ik heb hem aan de telefoon gehad in Dallas en New York (VS), twee keer in Amsterdam, toen moest hij weer een weekje naar het buitenland, maar nu zitten we toch hier, in zijn Amsterdamse appartement, dat zo groot is dat zijn vrouw Aaltje van Buuren onzichtbaar in een zijruimte van de zitkamer kan verdwijnen.

Het moment van begeestering komt als Jaap van Zweden een partituur tevoorschijn haalt van de Afro-Amerikaanse componiste Florence Price (1887-1953), de eerste zwarte vrouw die door de grote orkesten erkend werd als een symfonisch componist van belang. Binnenkort zal hij dit stuk uitvoeren in New York. Zo’n lekker grote dirigentenpartituur heeft hij erbij gepakt. Het is de Vierde symfonie van Price, en de krabbeltjes en tekens in de kantlijn zijn van Van Zweden. Een coureur gebogen over zijn motor, een jockey oog in oog met zijn paard: dat benadert nog het meest de begeestering die zich meester maakt van Van Zweden, als-ie een paar pagina’s omslaat. Dit is zijn werk en leven: dit is muziek.

Komen er ook meer zwarte en gekleurde mensen op zo’n uitvoering af? Van Zweden peinst, hij heeft meer werken van Afro-Amerikanen gedirigeerd (Tania León, John Walker) en zegt uiteindelijk: ‘Het zaadje is dan in ieder geval geplant. Het heeft tijd nodig, het gaat niet in één keer, al moet je wel bedenken dat Amerika in dit opzicht straatlengtes voorligt op Nederland, ook op het Amsterdamse Concertgebouw.’

Ik heb nog nooit zoveel zwarte en gekleurde musici gedirigeerd als er in Dallas in het orkest zaten

Hij vertelt nu over zijn werk met het Dallas Symphony Orchestra, gezeteld in de op twee na grootste stad van Texas. En Texas heeft weer de naam een zeer conservatieve staat te zijn. Maar dat is toch meer op het platteland. ‘Ik heb nog nooit zoveel zwarte en gekleurde musici gedirigeerd als er in dat orkest zaten. Alles hangt met alles samen: dat de Cubaans-Amerikaanse componiste Tania León in 2021 de Pulitzer Prize kreeg voor muziek zorgt er ook weer voor dat er meer zwarte en gekleurde musici in een orkest verschijnen, en dat het publiek diverser wordt.’

We krijgen het over sponsoring, altijd al wezenlijk geweest voor de culturele sector in Amerika. ’Natuurlijk’, zegt Van Zweden, ‘heb je ook zeer welgestelde Afro-Amerikanen met bedrijven onder zich. Maar als die hun geld ergens insteken, gaat het toch vooral naar de sport, omdat ze denken dat het resultaat daar directer zichtbaar is. Het duurt echt even, en in Nederland, waar sponsoring een relatief nieuw fenomeen is, zal het nog langer duren.’

Jaap van Zweden en sport: dat is bepaald geen onmogelijke combinatie. Als jongen waren er die twee hartstochten: de voetbal en de viool. De voetballiefde lag voor de hand: een gezin dat het niet breed had, nooit met vakantie ging, maar wel met het Woestduinplein in Amsterdam-West om de hoek. ‘Daar voetbalden we met jongens uit de buurt. Met Surinaamse en Indonesische jongens, later ook met Marokkaanse en Turkse: ik heb die mix altijd volmaakt vanzelfsprekend gevonden.’

Goed, zijn vader was muzikant, is nog steeds muzikant: een pianist die veel optrad met wat toen nog zigeunerorkesten heetten en die later docent werd aan muziekscholen. ‘Als jongetje hoorde ik hem elke dag de Engelse suites van Bach spelen.’

Ik voetbalde met Surinaamse en Indonesische jongens, later ook met Marokkaanse en Turkse. Die mix heb ik altijd volmaakt vanzelfsprekend gevonden

Het begon allemaal op dat tweekamerflatje, en de wens van de jonge Jaap om viool te spelen. Het Vioolconcert van Bruch, vier of vijf was-ie – en meteen verkocht. Er kwam een huurviool. ‘Mijn vader zei: “Het is een heel sociaal instrument, je kan het overal mee naartoe nemen, je kan met iedereen spelen”.’ Maar dan moest er wel gestudeerd worden. ‘Het mooie was, dat de mensen uit de buurt mij aanspoorden om toch vooral viool te gaan studeren, als ik te lang op het voetbalpleintje bleef hangen. Het was een soort plaatsvervangende trots, op mijn vader en op mijzelf.’

Jaap van Zweden

De zestienjarige violist Jaap van Zweden, winnaar van het Oskar Back Concours, in gezelschap van prins Claus en zijn zusje Therese, maart 1977 © Rob Bogaerts

Negen jaar was Jaap toen hij winnaar werd van het Oskar Back Jeugdconcours, genoemd naar de Hongaars- Nederlandse violist en muziekpedagoog. In 1977 won hij, als late puber, het Nationaal Vioolconcours Oskar Back. En net na die tijd hebben we elkaar ontmoet. Jaap weet dat niet meer, maar ik des te beter. Want ieder jaar was er de muziekcursus Woudschoten in Zeist, voor een groep van zo'n veertig jonge musici. Jaap was, met die Oskar Back op zak, toen allang het wonderkind, ik herinner me hem met terugwerkende kracht. Ikzelf speelde fluit, vaardig maar behoorlijk middelmatig. Vooral herinner ik me mijn verbazing dat Jaap niet alleen wonderlijk goed viool kon spelen, maar ook nog kon voetballen en enorm Amsterdams kon praten. Ik weet dat ik, regelrecht uit Twente, hem amper kon verstaan. In die zin was de aanstormende wereldster allerminst het product van de Nederlandse elite.

Hij had toentertijd les van de beroemde vioolpedagoog Davina van Wely. Zij was een begrip, dat fluisterend de ronde deed tijdens dat muziekkamp. Een grote stap voor de jongen uit Amsterdam-West. ‘Ik nam de tram, lijn 2 vanaf het Hoofddorpplein, om bij haar aan te komen op de Keizersgracht, de vioolkist onder mijn arm. Op een gegeven moment vroeg ze: “Wat hoor ik toch, wat heb je daar allemaal in zitten?” Dat waren dus knikkers. Zij legde geduldig uit dat mijn viool zo onder de krassen en butsen kwam te zitten.’

Van Wely was streng. ‘Nooit een compliment.’ Maar ze nam wel de complete verantwoordelijkheid voor de jonge violist. Vingerzettingen, studeertijden, echt zo iemand die vergroeid was met haar pupil. En toen vertrok het wonderkind naar Amerika, om er aan de Juilliard School of Music te studeren, bij de beroemde vioolpedagoge Dorothy DeLay. ‘Zij was zo anders dan Van Wely: vingerzettingen, hoe lang ik moest studeren? Dat was mijn eigen zaak, als het maar goed klonk. Ineens was ik, zestienjarige, in New York volledig verantwoordelijk voor mijzelf. Maar ik kreeg wel complimenten tijdens de lessen. Amerikanen zijn daar vrijgevig in, als ze het echt goed vinden.’

Ineens was ik, zestienjarige, in New York volledig verantwoordelijk voor mijzelf

Behoorlijk eenzame tijd, heel veel studeren op een donker kamertje bij een gastgezin, uitzicht op een blinde muur; op zondag voetballen in Central Park, vooral met de Puerto Ricanen, en verder proberen zich op te trekken aan zijn medestudenten, van wie vooral de Koreanen en Japanners fabelachtig goed speelden. Hele families die zo’n toptalent ondersteunden. ‘Ik heb daar nog weer meer geleerd over discipline. Vrij weekend? Dat betekent acht uur per dag studeren.’

Al die oefening en studie betalen zich uit. Hij wordt de jongste concertmeester van het Concertgebouworkest ooit, speelt als solist met alle befaamde internationale orkesten, en besluit in 1995 zich aan het dirigentschap te wagen. Dat betekent dat hij nu vóór al die wereldberoemde orkesten staat, van New York, waar hij tot de zomer van 2024 chef-dirigent is, en San Francisco tot Wenen en Berlijn.

Tijdens ons gesprek wordt Van Zweden twee keer gebeld: in staccato gaat het over Brahms en Wenen, en Britten en Londen. Wat is dat voor een overwinningsinstinct? ‘Ik weet niet of het in iemands natuur zit.’ Hij kijkt nadenkend omhoog. ‘Als ik speel of dirigeer denk ik er eigenlijk niet over na. Je denkt ook niet de hele tijd: hoe loop ik eigenlijk?’

Muziek fungeert als brug, muziek kan werkelijk helen

Nee, Van Zweden gelooft niet in zwarte orkesten. Of gekleurde, of witte orkesten. ‘Muziek fungeert als brug, muziek kan werkelijk helen. En al die tegenstellingen kennen we nu onderhand wel. Maar we moeten de zwarte en gekleurde talenten niet hardhandig als bloemen uit de grond willen rukken. Het allerbelangrijkste is dat jonge mensen van welke kleur dan ook zo vroeg mogelijk klassieke muziek tot zich kunnen nemen.’

We moeten de zwarte en gekleurde talenten niet hardhandig als bloemen uit de grond willen rukken

Van Zweden gaat verder over de helende werking van muziek op een ander vlak: hij en vooral zijn vrouw Aaltje stonden aan de wieg van Stichting Papageno (1997), die zich richt op kinderen en jongeren met autisme. ‘En muziek blijkt hier ook weer werkelijk therapie te zijn.’ Hun zoon Benjamin, ook autistisch, zit in zo’n Papageno-huis, waar jongeren leren zelfstandig te wonen. Er komen er steeds meer. Diversiteit stopt niet bij kleur, wil Van Zweden maar zeggen. En muziek doet meer dan etnische verschillen overbruggen.

Ineens schiet hem een herinnering te binnen. Hij is in New York om daar te dirigeren, het zijn de hoogtijdagen van Barack Obama, en iemand uit zijn omgeving vraagt hem de hele tijd: ‘Jaap, wat vind jij nou van een zwarte president?’ ‘Ik vond dat bloedirritant, want ik zag Obama gewoon als de Amerikaanse president, niet als zwarte of bruine man.’

Ik zag Obama gewoon als de Amerikaanse president, niet als zwarte of bruine man

In zekere zin staat de beroemde dirigent, die als geen ander de wereld kent, nog steeds op het voetbalpleintje in Amsterdam-West. Het ging om hoe ze voetbalden, niet om welke kleur of achtergrond ze hadden. ‘Het gaat om hoe ze spelen.’ Nou, dat heeft de maestro dus een leven lang volgehouden.

Jaap van Zweden in Het Concertgebouw © Eduardus Lee

Foto bovenaan: © Marie-Louise Hodge

In samenwerking met De Groene Amsterdammer.
De volgende aflevering in deze interviewreeks verschijnt eind september.

Onderdeel van

Bekijk ook eens