Geschiedenis — 12 augustus 2021 · 4 minuten leestijd

Verdieping: de saxofoon in de klassieke muziek

· tekst Paul Janssen , foto Robin Clewley

Adolphe Sax ontwikkelde in het midden van de negentiende eeuw de saxofoon ter verrijking van het symfonieorkest. Zijn inspanningen mochten niet baten. De sax werd nooit een echt orkestinstrument en veroverde pas na de dood van Sax een plek als klassiek solo-instrument.

Deel dit artikel

Saxofoniste Jess Gillham soleert bij de Nordwestdeutsche Philharmonie tijdens de slotavond van de zomerconcerten op 29 augustus

‘Moderne ontwikkelingen in het saxofoonspel hebben de natuur en klank van het instrument compleet veranderd en verwijderd van wat het was toen Bizet en andere Europese componisten er voor 1920 melodieën voor schreven’, schreef de Amerikaanse componist, pianist en violist Walter Piston nog in 1955 in zijn gezaghebbende boek Orchestration. ‘Van een pure en stabiele klank die dankbaar gebruikmaakte van zowel de kwaliteiten van houten als koperen blaasinstrumenten is het, ingegeven door ontwikkelingen in de populaire dansmuziek, mierzoet en sentimenteel geworden; er wordt op het instrument bijna altijd “vals” gespeeld. De saxofoon zoals deze vandaag de dag wordt gebruikt kan niet succesvol worden toegepast in instrumentale combinaties en het is waarschijnlijk om deze reden dat het geen vast bestanddeel van het symfonieorkest is geworden.’

Hoewel Piston bekend was met een aantal opvallende verschijningen van de saxofoon in het klassiekemuziekrepertoire, beschouwde hij de hybride blazer als een bij-instrument voor klarinettisten. Au! Weer een postume trap na voor die arme Adolphe Sax (1814-1894). Deze in Dinant geboren Belg was een begenadigd instrumentbouwer, klarinettist en uitvinder. Hij vond niet alleen de familie van saxhoorns uit, krachtige loeitoeters die waren bedoeld voor militaire bands en optredens in de openlucht, maar boog zich ook over een klankideaal dat hij had ontwikkeld: het verenigen van de subtiele klankkwaliteiten van de rietinstrumenten met de kracht van de koperen blaasinstrumenten. Hier kwam rond 1840 de eerste saxofoon uit voort.

Sax, destijds gevestigd in Parijs, ontmoette enthousiasme bij avontuurlijke componisten als Hector Berlioz en Richard Wagner. Wagner bezocht zelfs in 1853 de werkplaats van Sax en was zeer onder de indruk. Hij overwoog de instrumenten toe te passen in zijn Ring des Nibelungen, maar koos uiteindelijk voor de speciaal naar zijn eigen klankideaal ontworpen Wagnertuba’s.

Wagner bezocht de werkplaats van Sax en was zeer onder de indruk

Terwijl de instrumenten van Sax in de militaire bands en in de latere harmonie- en fanfareorkesten hun weg vonden, kwam de opmars in de klassieke muziek maar moeizaam op gang. Tegenwerking van conventionele instrumentbouwers en conservatisme bij de bestaande symfonieorkesten zouden de voornaamste redenen zijn. Een van de eerste grote componisten die het instrument voorschreven in een orkestpartituur was Georges Bizet. Hij gebruikte de saxofoon in de toneelmuziek voor L’Arlésienne uit 1872. Ook in de twee orkestsuites die hij uit de muziek samenstelde bleef de altsaxofoon een rol spelen. Pas in de eerste decennia van de twintigste eeuw bloeide het instrument op. Door de opkomst van de Amerikaanse jazz en de bigbands waarin de saxofoonfamilie wel een vaste plaats had veroverd, kwam het steeds meer in de belangstelling te staan. Verschillende componisten gebruikten de saxofoon voor een jazzy accent, zoals Aaron Copland in zijn Pianoconcert en Darius Milhaud in La création du monde. In het verlengde hiervan maakte Leonard Bernstein in de jaren vijftig voor de orkestratie van West Side Story gebruik van de complete saxofoonfamilie, van sopraan- tot bassaxofoon.

De saxofoon werd toen inmiddels geheel op zijn eigen merites beoordeeld. Op aandringen van de Duitse saxofonist Sigurd Raschèr had Alexander Glazoenov in 1934 het eerste echt belangwekkende saxofoonconcert geschreven. Maar ook dankzij componisten als Alban Berg (Vioolconcert) en Maurice Ravel (orkestratie van Moesorgki’s Schilderijen van een tentoonstelling en vooral de Boléro) werden de badinerende woorden van Walter Piston eigenlijk al gelogenstraft.

Vooral in de kamermuziek kon de saxofoon zich kon ontplooien tot een volwassen klassiek instrument

Toch was het vooral in de kamermuziek dat de saxofoon zich kon ontplooien tot een volwassen klassiek instrument. De aanzet daartoe werd al in de vroege tweede helft van de negentiende eeuw gegeven door de Franse fluitist en componist Jules Auguste Edouard Demersseman, die een serie baanbrekende etudes schreef, en de Franse componist Charles Koechlin, die zeer gecharmeerd was van het instrument en er diverse solowerken voor componeerde. Een belangrijke impuls kwam van de Amerikaanse amateursaxofoniste en kunstmecenas Elisa Hall (1853-1924). Zij bewerkte veel Franse muziek voor het instrument en gaf diverse componisten, onder wie André Caplet, Vincent D’Indy en Claude Debussy, opdrachten om werk voor altsaxofoon te schrijven. Debussy kreeg de opdracht al in 1895, wist eigenlijk niet wat hij ermee aan moest en zocht wanhopig naar ‘nieuwe combinaties om voor dit waterige instrument te schrijven’. In 1908 kwam hij met zijn beroemde Rhapsodie, die in 1919 door Jean-Roger Ducasse werd georkestreerd.

Na de Tweede Wereldoorlog steeg de populariteit van het saxofoonkwartet snel

In Frankrijk zelf kwam de impuls voor de hernieuwde aandacht voor de saxofoon van de grote virtuoos Marcel Mule (1901-2001). Hij werd in 1942 hoofdvakdocent toen de saxofoonopleiding aan het conservatorium van Parijs een vaste plek kreeg. Al in 1928 richtte hij het eerste serieuze saxofoonkwartet op, een voor de hand liggend ensemble met zo’n homogene instrumentfamilie. Mule zorgde ervoor dat na het allereerste en nog altijd vrij eenzame Saxofoonkwartet, in 1857 gecomponeerd door Jean-Baptiste Singelée, een grote stroom belangwekkende saxofoonkwartetten ontstond. Vooral na de Tweede Wereldoorlog steeg de populariteit van het saxofoonkwartet snel. Ook in Nederland kreeg de saxofoon dankzij buitenbeentje Adriaan Valk, en dankzij Ed Bogaard en Leo van Oostrom, oprichters van het Nederlands Saxofoon Kwartet, een stevig fundament waar virtuozen als Arno Bornkamp, Ties Mellema, Eva van Grinsven en Femke IJlstra, en saxofoonkwartetten als het Aurelia Saxofoonkwartet, het Amstel Quartet, het Berlage Saxophone Quartet, het Syrène Saxofoonkwartet en het Ardemus Quartet op verder konden bouwen. Zij kunnen inmiddels putten uit een breed kamermuziek- en orkestrepertoire met belangwekkende concerten van onder anderen Philip Glass, John Adams, Jacob ter Veldhuis en vele anderen. Want de saxofoon is dan misschien geen vast ‘lid’ van het symfonieorkest geworden, het is wel een instrument dat zo’n honderdzeventig jaar na de gelukkige greep van Adolphe Sax is uitgegroeid tot een volwaardige ‘klassieke’ instrumentfamilie met een rijk en divers repertoire.

Lees meer over het concert op 29 augustus door Jess Gillam en de Nordwestdeutsche Philharmonie.

Tijdbalk

1846
Sax krijgt op 28 juni in Frankrijk het patent op zijn saxofoonfamilie.

1857
De Belg Jean-Baptiste Singelée, een goede vriend van Sax, componeert het eerste saxofoonkwartet.

1895
Claude Debussy krijgt van de Amerikaanse amateursaxofoniste Elisa Hall de opdracht voor een werk voor altsaxofoon. Hij voltooit zijn Rhapsodie in 1908.

1928
Maurice Ravel schrijft zijn Boléro met een substantiële partij voor de sopraan- en tenorsaxofoon.

1934
Alexander Glazoenov schrijft zijn Saxofoonconcert voor de saxofonist Sigurd Raschèr.

1969
Oprichting het Nederlands Saxofoon Kwartet.

1987
Saxofoniste Olga de Roos krijgt als eerste saxofoniste de Nederlandse Muziekprijs. In 1991 volgt Arno Bornkamp en in 2010 Ties Mellema.

2013
John Adams schrijft een Saxophone Concerto.

Wij raden u aan om uw concertkaarten te bestellen via een andere browser. Gebruik hiervoor Chrome, Firefox, Safari, Edge of Internet Explorer versie 10 of hoger.