


Gitarist Rafael Aguirre: ‘Klassieke muziek is niet dood’
di 12 mei 2026 - 4 minuten leestijd - Tekst: Michiel Cleij - Foto: Liz Isles
‘Het gaat bij gitaarmuziek om de interactie tussen musicus en publiek, om het delen van schoonheid’, zegt Rafael Aguirre. Twee keer komt de Spaanse gitarist naar Het Concertgebouw: voor Rodrigo’s geliefde Concierto de Aranjuez en voor een solorecital.
Zo zacht en subtiel als zijn gitaar kan klinken, zo uitbundig is Rafael Aguirre zelf. Praten met hem betekent totale overgave aan een verbale hogedrukspuit; zijn gepassioneerdheid is voor menige noorderling jaloersmakend. Aguirre komt uit – inderdaad – Andalusië, de provincie die zo sterk bijdraagt aan Spanjes ‘vurige’ imago. Zijn aangeboren energie heeft hij ook volop nodig, gezien zijn intense concertpraktijk. Aguirre woonde in Düsseldorf, Londen, Berlijn, Málaga en Madrid alvorens hij met zijn Mexicaanse echtgenote in Mexico-Stad neerstreek. Zelfs het prille vaderschap weerhoudt hem er niet van de halve wereld af te reizen voor optredens. Op 9 juli speelt hij Rodrigo’s beroemde Concierto de Aranjuez in Het Concertgebouw, waar hij in 2017 zijn debuut maakte. Op 27 februari is hij alweer terug met een solorecital.
Overladen agenda
‘Ik kom net thuis van optredens in Peru en Colombia’, vertelt de schijnbaar onvermoeibare gitarist. ‘Eigenlijk reis ik voortdurend tussen Noord- en Zuid-Amerika op en neer. En elke vijf of zes weken heb ik wel een concert in Europa. De uren in het vliegtuig gebruik ik om mezelf bij te scholen door allerlei muziek te beluisteren, van pianist Arthur Rubinstein tot opera. Melodievoering, spanningsbogen, timing – je kunt overal wat van leren. Tussen de tournees door blijf ik fit door zoveel mogelijk te zwemmen en te slapen. Maar “thuis” is voor mij dus een relatief begrip. Als je tips nodig hebt over jetlag: ik weet er genoeg, haha.’
Tussen de tournees door blijf ik fit door zoveel mogelijk te zwemmen en te slapen
Zo’n overladen agenda wekt de indruk dat de gitaar altijd en overal volle zalen trekt. Maar dat, waarschuwt Aguirre, is een enorme misvatting. Het instrument is bepaald geen garantie voor succes en verkoopt zichzelf niet. ‘Daar zijn allerlei redenen voor. Grote sterren als Janine Jansen en Lang Lang zijn enorm publieksfavorieten: mensen kennen hen, vaak spelen ze wereldberoemde repertoirestukken, viool en piano zijn geliefde instrumenten. Bij een gitaar is dat anders. De gitaar is eeuwenoud, maar heeft zich vooral buiten de concertzaal ontwikkeld. Er is nooit een Beethoven voor de gitaar opgestaan.’
De gitaar is eeuwenoud, maar heeft zich vooral buiten de concertzaal ontwikkeld
‘Rodrigo’s Concierto de Aranjuez is het enige wereldberoemde gitaarconcert. Voor al die andere schitterende stukken met orkest moet ik enorm lobbyen, want onbekend maakt onbemind. En op mijn solorecitals speel ik topstukken van het klassieke gitaarrepertoire, maar van Tárrega of Ponce hebben relatief weinig mensen gehoord. Vaak komt men eropaf omdat er ook gitaarbewerkingen van Bach of Schumann op het programma staan.’
Nationale trots
In Spanje, gitaarland nummer één, is dat verrassend genoeg niet anders. ‘Daar is het instrument natuurlijk een nationale trots. Iedereen kent flamenco en in mijn familie zitten een paar goede flamencomuzikanten van wie ik veel technieken geleerd heb. Flamenco en de klassieke gitaar waren ooit één boom die zich later vertakte. Maar de klassieke wortels van de gitaar worden in Spanje nauwelijks gehonoreerd. Componisten van eigen bodem vindt men niet interessant; orkesten programmeren daar liever Beethoven. Het verandert wel geleidelijk, hoor – mede door de informatie-uitwisseling via internet en social media. Maar ze zouden in Spanje veel meer aan muziekonderwijs moeten doen, met speciale aandacht voor de geschiedenis van “ons” instrument.’
Flamenco en de klassieke gitaar waren ooit één boom die zich later vertakte
‘Aan het repertoire ligt het niet, want er is genoeg’, vervolgt Aguirre. ‘In Latijns-Amerika is de gitaar sterkers met de cultuur verweven dan in Europa, en daar zijn ze ook verbaasd dat we hier altijd weer op dat Concierto de Aranjuez terugvallen, hoe mooi het ook is. Iemand schreef zelfs onlangs een proefschrift over het enorme Latijns-Amerikaanse repertoire: er zijn daar meer dan vierhonderdtachtig concerten voor gitaar en orkest gecomponeerd, en er komen steeds nieuwe stukken bij. Ik vraag zelf ook regelmatig of een componist nieuw werk voor me wil schrijven, of ze komen uit zichzelf naar me toe. Klassieke muziek is niet dood, ook al wordt dat links en rechts beweerd.’

Je vindt varianten van de gitaar in bijna alle landen ter wereld. Ik wil het publiek ál die verschillende kanten tonen
En toch heeft de gitaar alles in zich om een breed publiek te bereiken – en dát beschouwt Aguirre als zijn missie. ‘Het is een polyfoon instrument waarop je akkoorden en melodieën kunt spelen – een soort klein orkestje. Het past zich aan aan alle stijlen van klassiek en flamenco tot rock en experimentele muziek. Je vindt varianten van de gitaar in bijna alle landen ter wereld. Ik wil het publiek ál die verschillende kanten tonen. Het zou unfair zijn als ik na jaren studie en concerten mijn ervaring niet zou delen met anderen. Dus leid ik mijn optredens altijd in met een kort, toegankelijk verhaaltje: waar gaat deze muziek over, waarom klinkt ze zus of zo. Het moet niet het laatste gitaarconcert zijn waar ze heen gaan omdat ze de muziek niet begrijpen.’
Doodse stilte
Daarbij kan het kwetsbare, intieme gitaargeluid juist een voordeel zijn. ‘Je móét wel opletten. Ooit zat iemand nota bene te bellen tijdens een concert. Niemand zei er wat van. Toen ben ik alleen maar zachter gaan spelen, en ineens veranderde de sfeer: er ontstond doodse stilte. Dat is de magie van het instrument.’
Communicatie is voor Aguirre het sleutelwoord. ‘De gitaar is van en voor iedereen. Sommige mensen in de concertwereld hebben me geadviseerd om met gitaar te stoppen en te gaan dirigeren of zo. Maar ik ga door. Volgens mij was het de dirigent Nikolaus Harnoncourt die ooit zei: “There cannot be great art without risk.” Ik kan Rodrigo spelen, hedendaags, Beethoven en The Police. Het gaat bij gitaarmuziek niet om grote componistennamen, maar om de interactie tussen musicus en publiek, om de mooie klank, het delen van schoonheid. Dat maakt de klassieke traditie minder stijfjes.’




