Interview — 6 augustus 2017 · 5 minuten leestijd

Interview: Nicolas Altstaedt

· tekst Frederike Berntsen , foto Marco Borggreve

‘Samen muziek maken is intiemer dan het leven delen’

Interview: Nicolas Altstaedt

Deel dit artikel

Ten tijde van dit gesprek gaf hij een concert in Kings Place, Londen. Met het English Chamber Orchestra nam Nicolas Altstaedt Haydns Eerste celloconcert onder handen – een niet te stuiten energie spatte van het podium. En voor Haydns Symfonie nr. 49 kwam hij zonder cello op; alsof de duvel hem op de hielen zat, spoorde hij zijn collega’s aan om zo vurig mogelijk te spelen. Voor de gelegenheid waren de rode gympen vervangen door zwarte concertexemplaren.

Niets lijkt te moeilijk voor de Frans-Duitse cellist Nicolas Altstaedt. Als je hem ziet strijken is het alsof hij de nootjes uit zijn mouw schudt. De Paganini van de eenentwintigste eeuw, maar dan op de cello, zoiets.

‘O nee, absoluut niet!’, sputtert Altstaedt tegen. ‘Dank je wel voor het compliment, en ik zal er alles aan doen om ook maar iets daarvan waar te maken, maar nee, er zijn veel stukken die ik niet kan spelen. Niemand heeft alle soorten techniek in huis. Bepaalde kamermuziek vind ik erg moeilijk. Een trio voor piano, viool en cello van Beethoven bijvoorbeeld, om jezelf daar de goede plaats in te geven, de juiste klank aan te reiken die past bij de twee andere instrumenten, dat luistert zo nauw.'

'Het is niet voor niets dat het spelen in een vast trio of kwartet een heus beroep is, je kunt nauwelijks iets anders ernaast doen. De inspanning die het kost om dag in dag uit samen je toon te vinden, proberen
een eenheid te vormen, is enorm. Dit soort ensembles werkt het hardst van alle musici.’

‘Alleen, of in een soloconcert met een orkest achter me, voel ik me veel vrijer. De verschillende orkestinstrumenten bieden zoveel verschillende klankkleuren, daar kun je iets ontspannener mee omgaan, naar mijn idee.’

Toch komt Altstaedt dit seizoen naar Amsterdam met kamermuziekrepertoire... ‘Klopt, maar met Vilde Frang speel ik al heel lang samen, en mengen met een viool is prettig. Je kunt het ook over dezelfde dingen hebben: het vibrato, het ademhalen met de stok.’

Met Frang, zijn partner in het dagelijks leven, speelt Altstaedt in januari werken van Bartók en Kodály. ‘Samen muziek maken is intiemer dan het leven delen. Muziek is de subtielste en meest diverse taal die er bestaat, als je daar met iemand induikt en samen ontdekt wat voor wereld er schuilgaat achter de noten, graaf je heel diep. Dat kan een heel emotionele reis zijn.’

Eerder, in oktober, treedt hij aan met een klavecinist en een luitist, vrienden met wie hij al musiceerde op zijn eigen kamermuziekfestival in Lockenhaus. ‘Een paar jaar geleden kocht ik facsimile-uitgaven van Antonio Caldara en Giovanni Benedetto Platti. Er ging een wereld voor me open: wat die componisten allemaal niet hebben geschreven, en hoe! Boeiend. Natuurlijk kende ik hun werk, maar nog lang niet alles. Ik voel me thuis in de Italiaanse muziektaal, die heeft iets lichts en vraagt om improvisatie. En Vivaldi heeft geweldig geschreven voor de cello.’

Dan is er nog Bach: in februari brengt Altstaedt alle zes de suites voor cello solo ten gehore. Het neusje van de zalm? ‘Ik denk dat die stukken, hoe schitterend ook, last hebben van een soort heiligegraaleffect.
Het is echt speelmuziek en ik ben er iedere dag mee bezig. Maar het gevoel dat je er pas echt iets mee kunt als je oud en wijs bent, dat heb ik niet zo – en dat idee kleeft de suites een beetje aan.'

'Ik benader de suites absoluut vrij, daar nodigen ze ook toe uit. Het fascinerende is dat dit eenvoudige muziek is die geniaal is, en omgekeerd. Wat Bach te zeggen heeft in deze suites is oneindig interessant. Bach spreekt iedereen aan, of je nu wel of niet thuis bent in klassieke muziek.’

Altstaedt, ruig haar, indringende oogopslag, is een spraakwaterval. Net zoals hij optimaal thuis is in virtuoos, snel notenmateriaal, zo filosofeert hij makkelijk over iedere vraag die hem gesteld wordt. Dat dirigeren bijvoorbeeld, hoe belangrijk is dat voor hem?

‘Ik dirigeer omdat ik met het orkestrepertoire bezig wil zijn. Het gaat me niet om het dirigeren zelf. Als klein kind al pluisde ik partituren uit, ik vond het reuze spannend wat daar allemaal in staat. Met de Haydn Philharmonie, waarvan ik artistiek leider ben, heb ik de kans om veel muziek te ontdekken, al dirigerend. Ik maak de programma’s wel altijd zo dat er een deel cello in zit, die balans is noodzakelijk voor me.’

Hij zou kunnen overwegen om een pied à terre te nemen in Amsterdam, of ergens in Nederland. Dit seizoen is hij niet alleen te gast in Het Concertgebouw, ook speelt hij een project met Amsterdam Sinfonietta
en is hij artist in residence bij Muziekgebouw Eindhoven. ‘Daar zeg je wel wat, ik vind Amsterdam heerlijk, net als Londen. Ik droom er af en toe van om in een van deze steden te wonen: open minded, gastvrij en cultureel van hoog niveau.’

Wat let hem? ‘Ik blijf voorlopig in Berlijn wonen, niet alleen omdat de stad bruist en in ontwikkeling is, maar ook vanwege mijn leraar Eberhard Feltz, nu tachtig jaar oud. Ik wil geen enkele mogelijkheid missen om voor hem te kunnen spelen en met hem te kunnen praten. Ieder moment waarop we samen kunnen zijn, koester ik. We hebben het niet alleen middagen achtereen over muziek, over een bepaald stuk en waarom die en die noot daar staat geschreven, maar ook over kunst en literatuur – hij plaatst de dingen in een groter geheel. Als je het over muziek hebt hangt er altijd iets mysterieus omheen, je zou het niet in woorden kunnen vatten. Maar Feltz kan heel helder over muziek praten. Hoe die man wakker en fris in het leven staat is buitengewoon inspirerend.’

Dit artikel verscheen eerder in Het Concertgebouw Magazine, editie september/oktober/november 2017

Wij raden u aan om uw concertkaarten te bestellen via een andere browser. Gebruik hiervoor Chrome, Firefox, Safari, Edge of Internet Explorer versie 10 of hoger.