


Schokkend, subliem, buitenaards: Miles Davis in Het Concertgebouw
di 3 mrt 2026 - leestijd 8 minuten - Tekst: Lonneke Tausch - Foto: Eddy Posthuma de Boer
So What is de titel van de door het Nederlands Jazz Archief uitgebrachte registraties van Miles Davis’ twee spraakmakende Concertgebouwoptredens van 1960 in Het Concertgebouw. Onder de titel (…) What’s Not There borduren nu het Brussels Jazz Orchestra en de Amerikaanse Blue Note-trompettist Ambrose Akinmusire daarop voort met een eerbetoon aan de jazzlegende die honderd jaar geleden het levenslicht zag.
Miles Davis (1926-1991) betrad in totaal zes keer het podium van de Grote Zaal. Hij kwam voor het eerst in november 1956 voor een half nachtconcert en keerde een jaar later terug voor een hele avond. Op twee veelbesproken concerten in 1960 – in april en oktober – volgde in 1964 een nachtconcert van het tweede grote Miles Davis Quintet, met Wayne Shorter (Concertgebouw Jazz Award 2007) en Herbie Hancock (Concertgebouw Jazz Award 2008). Op 30 april 1982 was Davis nog een laatste keer te gast; in ruim vijfentwintig jaar was zijn muziek geëvolueerd van bebop en hardbop, via cool jazz en free jazz, tot fusion.
Eigen weg
Op 26 mei 1926 werd in Alton (Illinois) Miles Dewey Davis III geboren in een niet al te harmonieus gezin: vader was tandarts, de familie had een paardenranch, moeder speelde blues op de piano en zag zoonlief al met een viool, opa leerde hem de muziek in de kerk kennen, vader gaf hem op zijn dertiende verjaardag een nieuwe trompet. Op les bij een patiënt van zijn vader, Elwood Buchanan, nam de jonge Miles diens vibratoloze manier van spelen over. Die strakke, heldere toon werd een wezenskenmerk van zijn trompetklank, vaak nog benadrukt door zijn typerende gebruik van een mute (een demper) voor een extra gefocust en metalig geluid.
De strakke, heldere toon werd een wezenskenmerk van Davis’ trompetklank
In 1945 had Davis al opgetreden met Charlie Parker en Billy Eckstine, voordat hij naar New York verhuisde voor een opleiding aan de prestigieuze Juilliard School of Music. Maar zeker zo veel stak de jonge twintiger op van alles wat hij in de vele jazzclubs van de stad meekreeg van zijn helden: Thelonious Monk, Coleman Hawkins, Sonny Rollins, Max Roach, Bud Powell, Dexter Gordon, Dizzy Gillespie, Gil Evans, Art Blakey, Charles Mingus... Na een paar jaar als sideman en een met hulp van zijn vader overwonnen heroïneverslaving verscheen Davis vanaf 1955 als voorman van zijn eigen formaties, met in zijn eerste grote kwintet als vaste waarde saxofonist John Coltrane (uit hetzelfde geboortejaar).
Eerste keren in Amsterdam
Davis’ debuut in Het Concertgebouw, op 3 november 1956, was onderdeel van een uitverkocht nachtconcert onder de noemer ‘Birdland ’56’. Miles Davis trad aan samen met tenorsaxofonist Lester Young, en de twee blazers werden begeleid – zo werd het nadrukkelijk geformuleerd op een Parijs affiche van dezelfde Europese tournee – door René Urtreger (piano), Christian Garros (drums) en Pierre Michelot (contrabas). Na de pauze debuteerde het New Yorkse Modern Jazz Quartet. Eerder op dezelfde avond hadden de musici al in het Haarlemse Concertgebouw (het huidige PHIL) opgetreden.

Aankonding voor het concert op 3 november 1956 (noot: Bud Powell was uiteindelijk niet van de partij)
Had Davis’ eerste keer Concertgebouw nog het karakter van een voorprogramma, op 8 december 1957 was hij terug met wat nu officieel was aangekondigd als het Miles Davis Quintet. Dat bestond uit tenorsaxofonist Barney Wilen en een ritmesectie, opnieuw gevormd door René Urtreger en Pierre Michelot, maar nu met drummer Kenny Clarke (tot 1955 lid van het Modern Jazz Quartet). Met deze bezetting had Davis eerder in diezelfde week in Parijs de later zo beroemd geworden cooljazz- en bopsoundtrack opgenomen voor de neo noir-film Ascenseur pour l’échafaud. De Nederlandse radio betaalde 125 gulden voor de uitzendrechten van het avondvullende concert in de Grote Zaal.
Tekst gaat verder onder de video.
Onderdeel van
Ongehoord
Op 9 april 1960 organiseerde de Amerikaanse jazzproducer en -promotor Norman Granz samen met de Nederlandse impresario Lou van Rees een avond ‘Jazz at the Philharmonic’ in het Kurhaus in Scheveningen, met in de line-up het Oscar Peterson Trio, het Stan Getz Quartet – bassist Ray Brown speelde in allebei – en het Miles Davis Quintet. Die laatste set was vanaf 21.30 uur rechtstreeks op de radio, vanwege de VARA-jazzweek. Een groot deel van het publiek van de nachtelijke herhaling van deze driedelige Amerikaanse jazzparade in Het Concertgebouw zal eerst nog aan de radio gekluisterd hebben gezeten voor het optreden van het Miles Davis Quintet.
Het kwintet (niet langer in de bezetting van 1956/57) werd voortgestuwd door pianist Wynton Kelly, bassist Paul Chambers en drummer Jimmy Cobb; John Coltrane was de saxofonist van dienst. Diens nieuwste platen uit 1959 – Coltrane Jazz, waarop hij zich toelegt op multiphonics, en het baanbrekende Giant Steps – waren in Europa nog niet verkrijgbaar. Datzelfde gold voor Kind of Blue, het revolutionaire sextetalbum van Miles Davis (inclusief Coltrane) waarop hij zijn modal improvising introduceerde. Kind of Blue bereikte Europa in de late zomer van 1960 en zou een van de meest invloedrijke en bestverkochte jazzalbums ooit worden.
Velen waren geschokt door de nog letterlijk ongehoorde, ver afdwalende improvisaties van met name Coltrane
In april 1960 waren de Nederlandse concertgangers nog nauwelijks bekend met deze nieuwste jazzrichtingen. Velen waren dan ook geschokt door de nog letterlijk ongehoorde, ver afdwalende improvisaties van met name Coltrane. ’s Nachts in Het Concertgebouw waren zijn solo’s beduidend minder furieus (al verlieten luisteraars ook daar voortijdig de zaal), maar eerder in Scheveningen was hij flink op de experimentele toer. Het Parool meldde enigszins eufemistisch: ‘Coltrane (…) stelde hoge eisen aan het opnemings- en bevattingsvermogen van de luisteraar.’
Tekst gaat verder onder de video.
Miles Davis zelf, de ‘meest progressieve trompettist van de jazz’, riep bij Het Vrije Volk onder meer de vraag op: ‘Wat is de volgende stap op deze weg? Elektronische jazz?’ Profetische woorden, weten we nu. Trouw oordeelde kortweg: ‘De befaamde trompettist, apostel van de cool jazz, is op zijn best als hij doodgewoon soepel swingende frases ten beste geeft. Zodra hij zich verliest in ingewikkeldheden – vooral in de hoogte – slaat hij de plank mis.’ Het Dagblad voor Noord-Limburg daarentegen had niets dan lof voor ‘het hoogtepunt van dit nachtconcert. (…) Miles Davis was boordevol inspiratie. Het was bijna angstwekkend zoals hij zijn instrument hanteerde. Op en top de romanticus met zijn wereldvreemde en angstig-schreeuwende klanken.’
Buitenaards
Al op 15 oktober 1960 bracht zakenman Granz het Miles Davis Quintet terug in Het Concertgebouw; voor het zaterdagse nachtconcert waren 2471 kaartjes (van 2,50 tot 10 gulden) verkocht. Het Vaderland was blij met een nieuwe saxofonist en gaf de vorige er met terugwerkende kracht nog eens van langs: ‘Zónder de schokkende John Coltrane, die een zinloze orkaan van geluiden over de verbijsterde hoofden van zijn toehoorders joeg. Maar met de ‘Parker-man’ [Sonny, red.] Stitt.’

Aankondiging van het concert op 15 oktober 1960
Het intro van deze voorbeschouwing leest als een staaltje ware Miles-poëzie: ‘Die trompet! Gifgroen glanzend en lichtvonken spattend bij de geringste beweging. En uit dit onaards lijkende instrument komt die toon, die vaak ook onaards schijnt, glad, zonder vibrato, zeer gespannen, uiterlijk ingehouden maar innerlijk zeer geëmotioneerd, irrationeel van melodiek, balancerend op de grens van wat de moderne jazz tot dusver heeft voortgebracht, soms trachtend door te dringen in de onbekende ruimte daarachter.’
Het Binnenhof sprak ‘s maandags van een ‘opstandige bezetene’, vond dat Davis ‘irriteert en intrigeert’, maar begon zijn recensie ook al zo poëtisch: ‘Zijn trompet is een wereld, met zijn uitbundigheid en somberheid. Soms rauw en opstandig, maar meestal teder en broos, als de stille klacht van een eenzaam mens.’ Parool-recensent Michiel de Ruyter schreef geen zin te hebben in ‘koel analiseren’: ‘Veel liever wil ik gevoelsmatig stellen dat de jazz die men in het Kurhaus en het Concertgebouw heeft kunnen horen, muziek was van de allerhoogste orde, een intensiteit, een noblesse, van een buitenaardse schoonheid, zó dat men na afloop moeite heeft weer te acclimatiseren.’
Tekst gaat verder onder de video.
Op 20 oktober besteedde het Dagblad voor Noord-Limburg maar liefst een halve pagina aan een nabeschouwing over het Miles Davis Quintet. Het hoorde bij de avant-gardist een nieuw klankidioom: ‘Als men zich voorstelt dat klanken op een bepaald ogenblik stilte worden en men kan zich in de verbeelding een ruimte naast die stilte voorstellen – het negatief van de normale klankwereld dus – dan heeft men ongeveer de muziek van Miles Davis.’ En de krant had nóg iets nieuws gehoord: ‘Op een bepaald moment lijkt het net alsof hij er spijt van heeft dat hij dit allemaal ‘gezegd’ heeft en dan zuigt hij als het ware zijn klanken weer naar binnen. Die techniek hebben wij bij geen enkele andere trompettist gehoord en zij was eigenlijk ook alleen maar te verwachten van Miles Davis.’ Om te concluderen dat Davis ‘zich hoe langer hoe meer terugtrekt in ‘n abstracte wereld. (…) [Zijn hoge tonen] hebben alle kracht en alle woorden die in hem leven ingekapseld als in cellen. Misschien is het juist daarom zulke moeilijke muziek.’
Nieuw kwintet
Vier jaar later, op 26 september 1964 (nachtconcert, 2334 kaartjes verkocht), trad er een volledig vernieuwd Miles Davis Quintet aan in de Grote Zaal, met Wayne Shorter (saxofoon), Herbie Hancock (toetsen), Ron Carter (bas) en de pas negentienjarige drummer Tony Williams. De Volkskrant deed nuchter verslag: ‘[Miles Davis] weet nog altijd zeer veel te zeggen in zijn sobere, zeer persoonlijke stijl, die in twintig jaar praktijk werd gevormd. Als hij blaast, is het duidelijk dat de vitale moderne jazz genietbare muziek kan zijn (…) Briljanter nog dan op de plaat fonkelt de toon van zijn trompet in het klankkoesterend Concertgebouw. (…) In zijn melodische opbouw is hij nóg soberder geworden, neemt steeds langere pauzes en etaleert zijn meest bekende thema’s vaak op bijna onherkenbare wijze.’ Met deze later wel als ‘Second Great Quintet’ aangeduide band zou Davis ongeveer vijf jaar toeren.

Monument van Miles Davis in het Poolse Kielce, gemaakt door Grzegorz Łagowski (2001)
Coda
Toen Miles Davis in 1982 opnieuw naar Nederland kwam (zijn verschijnen in 1971 en 1973 in Rotterdam was weinig succesvol geweest), opende het Limburgsch Dagblad de aankondiging met: ‘Sommigen achten het een wonder dat hij nog leeft. (…) Sinds hij na 1976 niets meer van zich lieten horen, deden over hem de wildste geruchten de ronde.’ De krant repte over een auto-ongeluk en een kunstheup, over keelpoliepen, over drugs op medisch advies. Maar nu was hij dan toch in het land, met een ‘kersverse en piepjonge’ band, voor concerten in het Haagse Congrescentrum en het Amsterdamse Concertgebouw.
De krantenrecensies betreffen allemaal het Haagse optreden. NRC Handelsblad beschreef hoe het openingsnummer Black Seat Batty de inleiding vormde ‘op een losjes aaneengeschakelde keten van jazz-rock-thema’s, die vrijwel zonder uitzondering waren gebaseerd op één-accoord-structuren, het soort abstract-expressionistische funk waar Miles Davis al jaren patent op heeft’. Het Nieuwsblad van het Noorden gaf een lesje nieuwe jazzgeschiedenis ten beste. Het constateerde dat Miles Davis ‘rond 1970 met albums als Bitches Brew en On the Corner nieuwe wegen voor een ganse generatie rock- en jazzmuzikanten ontsloot. Het multilineaire ritme-concept en de funky aanpak van de trompettist leidden heel direct tot de rockjazz en fusion-muziek die het gezicht van het afgelopen decennium hebben bepaald.’
Muziekjournalist Eddy Determeyer was onder de indruk: ‘Hoge noten slaat hij precies op hun kop – maar dan op het randje van die kop, zodat de klank uit het lood wordt gestoten.’ Het Algemeen Dagblad kopte dat Miles Davis ‘helemaal terug’ was: ‘Dat moet iedereen horen.’ ‘Nog altijd speelt hij elektrische jazzrock, maar hij speelt nu duidelijk gestructureerde muziek, hij gebruikt geen vervormer meer voor zijn trompet en hij speelt slechts heel af en toe een akkoord op zijn orgel.’ In Den Haag blies Davis volgens recensent Kees Polling ‘met een haarscherpe toonvorming en een sublieme frasering de sterren van de hemel.’
Frits Lagerwerff van Trouw zag echter een afscheid, het einde van een carrière: ‘Daar was dus Miles Davis, voor de allerlaatste keer. Verpakt in een snelle overall, muilen met hoge hakken, een witte wollen muts en een zonnebril, grillig, ongenaakbaar, een kwelling voor organisatoren en fotografen. Maar zijn spaarzame noten waren nog altijd van een volstrekt uniek kaliber.’ Han Schulte van De Telegraaf daarentegen was overtuigd van nog een nieuwe toekomst voor Davis: ‘Hij speelt vooral lange noten op open trompet met precies die magische toon en klankkleur die hem van duizenden collega’s onderscheidt. (…) Het ziet er nu naar uit dat hij zich zo onafhankelijk van de jazz-rock opstelt, dat verdere ontwikkelingen in een nieuwe richting niet zijn uitgesloten. Miles was de beste en intelligentste jazztrompettist, hij is nu de beste en intelligentste jazzrock-trompettist.’

Miles Davis’ graf in Woodlawn Cemetery. De steen bevat een inscriptie van de eerste noten van zijn compositie Solar
De al bij leven legendarische Miles Davis kleurde steeds mee met nieuwe stromingen, wat hem de bijnaam ‘the Picasso of jazz’ opleverde. Ook in zijn zes concerten in Het Concertgebouw liet de trompettist door de jaren heen zijn veelkleurigheid zien.




