


Voor Ava Bahari is vioolspelen als tandenpoetsen
wo 4 nov 2026 - 3 minuten leestijd - Tekst: Agnita Menon - Foto: Sylvain Barrès
Violist Ava Bahari, kind van Iraanse ouders, is geboren en getogen in Zweden. Ze komt uit Göteborg, studeerde in Berlijn. En mag zich in de serie Rising Stars presenteren met een eigenzinnig programma in de Kleine Zaal.
Welk idee zit er achter je programma?
‘Het idee dat ik er wat mee te zeggen heb. Alle stukken op mijn programma betekenen iets voor mij persoonlijk. Als muziek mij overtuigt, kan ik anderen overtuigen. Ik wil mijn publiek graag iets heel bekends laten horen én iets compleet nieuws. Het bekende is Mozarts opera Die Zauberflöte. Pablo de Sarasate schreef daar een virtuoze vioolfantasie op vol overbekende operathema’s. Het onbekende is een lastige jazzy vioolsonate van Boris Blacher. Van zijn zoon, Kolja Blacher, heb ik vioolles gehad. De sonate – die zelden wordt uitgevoerd – werd geschreven tijdens de Tweede Wereldoorlog. Blacher was geboren in China, kwam naar Berlijn en werd een van de meest invloedrijke figuren in de Duitse naoorlogse muziek.’

Ava Bahari reist dit seizoen als Rising Star door Europa
‘Ook speel ik twee vioolromances van de Zweedse componiste Elfrida Andrée uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Zij werd in 1861 op haar twintigste de eerste vrouwelijke organist van Zweden. Ze speelde altijd in de Domkerk van Göteborg. Dat is de kerk waar ik mijn hele jeugd in een kinderkoor zong! Er is één hedendaagse componist die ik persoonlijk ken: Anders Hillborg. Hij schreef voor mij een stuk en noemde het Ava. Mijn voornaam betekent “melodie”, en mijn achternaam Bahari betekent “lente”; mijn volledige naam betekent dus zoveel als the sound of spring.’
Wie inspireert je?
‘Mijn moeder is tandarts en mijn vader violist. Hij is ook vioolleraar en mijn grootste inspirator. Maar hij heeft mij nooit lesgegeven, nooit gepusht. Wel liet hij me van jongs af aan kleine muzikale hapjes proeven. Hij zorgde dat mijn wekkertje muziek van Mozart speelde. Ik mocht als kleuter altijd kijken in zijn grote boek met afbeeldingen van de Bach-familie. Hij nam mij als jong kind al mee naar het Gothenburg Symphony Orchestra, met zijn toenmalige chef-dirigent Gustavo Dudamel en sterren als Leonidas Kavakos. Zo waren er talloze manieren waarop hij mijn verwondering voor muziek wekte.’
Welke componist was een gamechanger voor je?
‘Bach. Mijn eerste grote liefde in muziek. Ik kan niet beschrijven waarom de diepte en eenvoud van zijn muziek zoveel voor me betekenen. Hij is de componist met de grootste invloed op mijn carrière. En Schönberg. Zijn haast onspeelbare Vioolconcert leerde ik spelen aan het eind van mijn studie. Over dit stuk zei de legendarische violist Jascha Heifetz: “Je hebt er eigenlijk zes vingers voor nodig”, en hij had gelijk. Terwijl ik dat Vioolconcert van Schönberg studeerde, maakte ik me los en speelde ik niet langer muziek zoals mij werd voorgeleefd op het conservatorium. Ik zette de stap van leerling naar volwassen musicus met een eigen identiteit. Door Schönberg groeide ik naar onafhankelijkheid.’
Door Schönberg groeide ik naar onafhankelijkheid
Waarom moeten mensen naar de concertzaal blijven komen?
‘Voor dat ene moment van samenzijn bij een live-uitvoering. Dat is onvervangbaar. Dat zul je nooit ervaren achter een scherm, in een reel, in het razendsnelle leven. In een concertzaal kun je aan die gierende snelheid ontkomen. Stilzitten, reflecteren, alle zorgen laten gaan, iets moois meemaken. Daar heb ik zelf ook behoefte aan. Daarom ga ik in Berlijn vaak zelf als luisteraar naar concerten, opera’s, premières.’
Gun jij je oren nooit rust?
‘Sinds ik drieënhalf was, heb ik elke dag van mijn leven viool gespeeld. Zesentwintig jaar lang. Ik moet de viool oppakken, als dagelijkse levensbehoefte. Voor mij is het als tandenpoetsen of water drinken: ik sla het nooit over en kan niet zonder. Desnoods speel ik achter in de auto, of op een schip. Dus de viool gaat altijd mee, ook op vakantie. Blessures heb ik nooit, omdat ik niet lang studeer. En doordat mijn vader me leerde om nooit het inspelen over te slaan. Hoeveel stress ook, ik neem vijftien minuten voor een toonladder om mijn techniek en oren “schoon” te maken. Net zo belangrijk als opwarmen is ná het spelen de cooling down. Als een soloconcert op een groot podium achter de rug is, speel ik eerst in mijn kleedkamer een langzaam stukje Bach. Ik moet even in mijn eentje landen. Zelfs als er een hele rij mensen bij mijn kleedkamer staat om handjes te schudden en bloemen te brengen. Ze wachten maar even.’





